EXCEPTIONEEL GROTE ZILVEREN TWEE-KRANENKAN
Matthijs Craayenschot,
Amsterdam,
1760
3328 gram, 42,5 cm hoog
De peervormige kan staat verhoogd op vier opengewerkte, gebogen klauwpoten en is aan onderzijde gedecoreerd met een opengewerkte rand van rocailles. De twee kranen aan weerszijden vertonen een rocaille ornament ingelegd met mammoet ivoor. [1]Het lichaam is fijn gegraveerd met acanthusblad rond de kranen en bij de hals. De twee voluutvormige oren zijn met een bladornament bedekt. Onder de oren is het monogram van de voormalige eigenaar gegraveerd. Het scharnierende deksel is gemodelleerd in de vorm van een rocaille ornament. Volledig gekeurd aan de onderzijde van het lichaam en voorzien van trembleersteken.
Deze kan is een prachtig voorbeeld van de Amsterdamse Régence, een stijlperiode die de overgang tussen de Lodewijk XIV en Lodewijk XV stijlperiodes vormt. Karakteristiek voor de Régence zijn symmetrische objecten met asymmetrische ornamenten, zoals rocaille en krullend bladwerk. Met name in Amsterdam vierde deze stijl hoogtij en werd toegepast door Amsterdamse zilversmeden.
Een kraankan of kraantjeskan (met één of meer kranen) is eigenlijk een koffiepot (koffievaas), die aan het einde van de 17de eeuw werd ontwikkeld om aan de toenemende vraag naar koffie te voldoen. [2]Aanvankelijk werd de kraankan gebruikt in openbare 'koffiehuizen', maar bleek ook zeer geschikt voor particulier gebruik. [3] De zogenaamde koffiedrab bleef achter onder in de buik van de kan, nadat de koffie was afgetapt. Het baluster- of peervormig model bleef tot ver in de 19e eeuw in zwang, meestal gemaakt van tin, maar ook in zilver. De zilveren exemplaren waren echte statussymbolen voor op tafel. Op het schilderij van het echtpaar Muys-Nozeman, geschilderd door Nicolaas Muys in 1778 is een kraankan afgebeeld waarbij duidelijk te zien is dat de kraankan bestemd was voor koffie en niet voor thee. Het theepotje ontbreekt, maar wel zijn er koffiekopjes aanwezig. [4]
Matthijs Craayenschot heeft als grootwerker ook waterketels vervaardigd rond 1760 en wel met dezelfde uitstraling als de grote kraankan. Zoals beschreven is, zijn deze ketels bestemd om heet water op te schenken in het trekpotje bij het theedrinken. Een aantal waterketels zijn bekend waarvan er één te zien was op de tentoonstelling Rococo te in het Rijksmuseum te Amsterdam. Craayenschot vervaardigde deze ketel met het forse komfoor met brander in 1756. [5] Eenzelfde komfoor met brander vervaardigde hij in 1762, mogelijk in samenwerking met Reynier Brandt, die de waterketel vervaardigde. [6]
Doorgaans is de herkomst van zilveren voorwerpen niet te herleiden, maar een waterketel op komfoor, vervaardigd door Craayenschot, in dezelfde stijl en ook met een fors komfoor is gegeven door S.J. Blanckenhagen uit Amsterdam, aan Wilhelm Blanckenhagen te Riga in 1761, volgens de gegraveerde tekst op de onderzijde van de ketel. [7] De leden van de familie Blanckenhagen waren belangrijke koopmannen in Amsterdam.
Misschien heeft de grote kraankan ook tot deze familie behoord. Hij is uit dezelfde tijd en uit deze gravure blijkt dat Craayenschot voor deze familie heeft gewerkt. Interessant is dat de ketel gemerkt is met de jaarletter voor 1762. Hij zal geleverd zijn in december 1761, omdat de jaarletter al in december van het voorgaande jaar veranderde.
De zilversmid
Matthijs Crayenschot (Craayenschot) werd geboren te Zwolle rond 1714, als zoon van Jannes Craayenschot en Helena van Aken. Hij vertrok naar Amsterdam werd burger (poorter) van de stad en meester zilversmid in het Amsterdamse zilversmidsgilde in 1753 en trouwde vervolgens aldaar in 1757 met Geertrudis Carré (1713-1775), de weduwe van Hendrik Lageman. [8]
In 1767 ging hij een compagnonschap aan met de zilversmid Gijsbertus Johannes van Ent, met wie hij een zilversmidswinkel in de Huidenstraat dreef. Hij was een zeer actieve zilversmid, als grootwerker en met een zeer divers oeuvre. Het is niet bekend wanneer Matthijs Crayenschot zijn carrière als zilversmid beëindigde, in ieder geval vóór 1795, aangezien hij dan niet meer vermeld wordt in de almanak. Matthijs keerde terug naar Zwolle, zijn geboorte plaats, waar hij in 1796 overleed.
[1] De kranenkan met mammoet ivoren delen is onderzocht door Ruben Aardewerk. Zijn deskundige verklaring dateert van 29 oktober 2024 en is aanwezig. De slagtanden van de wolharige mammoet Mammuthus primigenius worden in ons land veelvuldig gevonden, van de Waddenzee tot het zuiden van Limburg. De eerste melding van deze olifantachtige in ons land dateert al uit de 18de eeuw (Verster, 1786). De zuidelijke bocht van de Noordzee staat ook bekend als een van de rijkste vondstgebieden in de wereld van deze soort, die kenmerkend is voor het laatste glaciaal. Verster, F. 1786, Bericht wegens twee elephantsbeenderen naabij 's Bosch gevonden.- Verhandelingen Hollandsche Maatschappij voor Wetenschappen, Haarlem XXIII: pp. 55-57. https://www.geologievannederland.nl/fossielen/zoogdier-register/mammuthus-primigenius.html
[2] Voor de geschiedenis en ontwikkeling van koffie zie, P. Reinders en T. Wijsenbeek, Koffie in Nederland, vier eeuwen cultuurgeschiedenis, Delft, 1994
[3] Ter Molen 1978, pp. 658-661. In dit artikel is uitgelegd dat in de 18e eeuw kraankannen eigenlijk bestemd waren voor koffie. De waterketels werden gebruikt in Nederland om heet water op te schenken in het trekpotje.
[4] Het schilderij is aanwezig in het Rijksmuseum te Amsterdam, Objectnummer SK-A-1587. Het schilderij is ook besproken in A.M. Meyerman o.a., Aangenaam gezelschap, zes conversatiestukken van Nicolaas Muys, Rotterdam, 1992, p. 37.
[8] Het jaar van het huwelijk staat in de literatuur van het Rijksmuseum te Amsterdam en Amsterdam museum niet juist vermeld, het jaar van het huwelijk moet zijn 1757. Voet 1912, nr. 436; Citroen 1975, nr. 675; Lorm 1999, p. 499; Vreeken 2003, pp 428-429.
EXCEPTIONALLY LARGE DUTCH SILVER COFFEE URN (KRAANTJESKAN)
Matthijs Craayenschot, Amsterdam, 1760
3328 grams; 42,5 cm high
The pear-shaped urn is raised on four openwork scroll supports and has a pierced scroll border below. The two rocaille spouts on either side are fitted with rocaille spigots inlaid with mammoth ivory. The body is finely engraved with acanthus leaves above the spouts and near the neck. Two leaf-capped scroll handles on either side display the engraved monogram of the former owner below. The hinged lid is moulded with a rocaille ornament. Fully marked below the body and displaying assay stripes.
This coffee urn is a fine example of Amsterdam Régence, a style period that forms the transition between the Louis XIV and Louis XV style periods. Characteristic of the Régence are symmetrical objects with asymmetrical ornaments, such rocaille and scrolling foliage. Predominantly in Amsterdam, this style was ‘en vogue’ and was adopted by Amsterdam silversmiths.
A kraankan or kraantjeskan (with one or more spouts) is a coffee urn, which was developed at the end of the 17th century to meet the increasing demand for coffee. Initially it was used in public ‘coffee houses’, but it appeared to be very suitable for private use as well. The so-called coffee drab remained in the belly of the urn, after the coffee had been tapped. The baluster model remained en vogue way into the 19th century, usually made of pewter, but also in silver. Silver coffee urns were regarded as status symbols.
The painting of the Muys-Nozeman couple, painted by Nicolaas Muys in 1778, depicts a coffee urn and it is clearly visible that the object was intended for coffee and not for tea. The teapot is missing, but there are some coffee cups depicted.
Matthijs Caayenschot also made water kettles around 1760 with similar features as the large coffee urn. As described, these kettles are intended to pour hot water into a small teapot when drinking tea. A number of water kettles are known by Craayenschot, one of which was on display at the exhibition Rococo in the Rijksmuseum in Amsterdam. Craayenschot made this kettle with hefty stand with burner in 1756. In 1762 he made a similar stand with burner, possibly in collaboration with Reynier Brandt, who made the water kettle.
Often the provenance of silver objects cannot be traced easily, but according to the engraved text on the underside of the kettle, the kettle on stove, made by Craayenschot, in the same style and also with a large brazier, was given by S.J. Blanckenhagen from Amsterdam to Wilhelm Blanckenhagen in Riga in 1761. The members of the Blanckenhagen family were important merchants in Amsterdam. Perhaps the large coffee urn also belonged to this family. It is from the same period and the engraving shows that Craayenschot worked for this family. Interestingly, the water kettle is marked with the date letter for 1762. It must have been delivered in December 1761, because the date letter had already changed in December of the previous year.
The silversmith Matthijs Craayenschot was born in Zwolle around 1714, the son of Jannes Craayenschot and Helena van Aken. He left for Amsterdam and became a citizen (poorter) of the city. In 1757 he married Geertrudis Carré (Amsterdam ca. 1713 -Amsterdam 1775), the widow of Hendrik Lageman. In 1767 he entered into a partnership with the silversmith Gijsbertus Johannes van Ent, with whom he ran a silversmith's shop in the Huidenstraat. He was an active silversmith with a varied oeuvre. It is not known when Matthijs Crayenschot ended his career as a silversmith, at least before 1795, as he was no longer mentioned in the almanac at that time. Eventually, he returned to Zwolle, where he died in 1796.
-Christie’s New York, 17 oktober 1996, lot 135
-Salomon Stodel Antiquités, Amsterdam, 1996
-Particuliere collectie, Nederland, 1998
-E. Voet Jr., Merken van Amsterdamsche Goud- en Zilversmeden, Den Haag, 1912
-K.A. Citroen, Amsterdamse zilversmeden en hun merken, Amsterdam, 1975
-J. R. Ter Molen, De 'thee-vaas'; een voorwerp met een driedelige functie, Antiek, april 1978
-J. R. de Lorm, Amsterdams Goud en Zilver, Zwolle, 1999
-H. Vreeken, Goud en Zilver met Amsterdamse keuren, Amsterdams Historisch Museum, Zwolle, 2003